Invoering vier fasen voetbal

De afgelopen jaren heeft de KNVB al flink zitten sleutelen aan het jeugdvoetbal en wijzigingen aangebracht. De afmetingen van de velden werden aangepast en de aantallen spelers per categorie gewijzigd waarbij de jongsten zelfs zonder keeper spelen. Net als bij de vorige veranderingen in het pupillenvoetbal zullen er ook nu weer ouders en vrijwilligers zijn die alles het liefst bij het oude willen houden. Maar met enige zekerheid kunnen we melden dat het voetbal zich blijft ontwikkelen en dat er ook voor volgend seizoen aanpassingen zijn.

De KNVB heeft daarom in het afgelopen seizoen een nieuwe competitie-indeling getest in de districten West I en II voor O12, waarbij niet meer werd gewerkt met twee seizoenshelften (voor- en najaar), maar in vier fasen. Om zo, bij iedere fase, met de feiten uit de Wedstrijdenzaken-app, een gelijkwaardiger competitie-indeling te organiseren. Gevolg: monsterzeges werden nagenoeg uitgesloten en de hoeveelheid ideale wedstrijden nam evenredig snel toe. Wedstrijden met maximaal vier doelpunten, waarbij de krachtsverhouding het best in balans is. Deze vier fasen indeling bestaat al bij de JO7 categorie.

Introductie

Hierdoor was de KNVB bij machte om sneller een ingrijpende beslissing te maken: vanaf seizoen 2020-2021 introduceert de KNVB het vier fasen voetbal bij de jeugd O8 – O12. Daarnaast worden er voor deze leeftijdscategorieën geen standen meer bijgehouden en de veredelde oefenpotjes uit het bekervoetbal zijn komen te vervallen. Ook wedstrijden in de schoolvakanties behoren tot het verleden. Voordeel van deze nieuwe competitie-indeling is meer ruimte voor gemengde teams en mogelijkheden voor een snellere instroom van nieuwe jeugdteams. Door de vrijgekomen ruimte kunnen verenigingen bovendien meer eigen activiteiten organiseren. Denk aan toernooien en jeugdzaalvoetbal in de winter.

O21 en O23

Door alle perikelen in het voetbal zou je bijna vergeten dat de eerste grote veranderingen bij de pupillen, nu drie jaar geleden, een groot succes zijn geworden. Na de aanvankelijke aarzeling voor de speelwijze op kleinere velden met een spelbegeleider in plaats van een scheidsrechter, is de nieuwe opzet breed omarmd. Daar is de KNVB trots op, maar tegelijkertijd beseffen ze zich terdege, dat ze er nog lang niet zijn.

Ze willen ook de junioren tussen 13 en 19 jaar, een kwetsbare groepen in het amateurvoetbal, voor de georganiseerde sport behouden en daarom zullen ze veel sneller met een pakkend voetbalaanbod moeten komen. Gelukkig is die stap al gezet voor de leeftijdscategorie van 8 tot en met 12 jaar. Ook voor voetballers boven de 19 jaar wordt na de zomer een nieuw fenomeen geïntroduceerd: de competitie O21 en O23. Hierdoor kun je als jongvolwassene met je leeftijdsgenoten voetballen, in plaats van de wei in met spelers die de leeftijd van je vader of moeder (kunnen) hebben.

Standen

Vooral het niet meer bijhouden van de standen is nog steeds wel een ding, maar vooral bij de ouders en soms ook vrijwilligers. Die vinden dat het voetbalplezier van hun kind/pupil is afgenomen door het niet meer bijhouden van de ranglijsten. Uit meerjarig onderzoek blijkt dat dit een vergissing is.

Natuurlijk willen kinderen winnen, maar de strijd om het kampioenschap leeft toch vooral onder vaders en moeders. Kinderen spelen met hun hart en worden hoofdzakelijk beziggehouden door de vraag of ze aan de bal komen, acties mogen maken, plezier hebben en met hun vriendjes kunnen voetballen. Het winnen van wedstrijden, komt pas ver daarna. Andersom werkt het bij verliezen. Als dat te vaak voorkomt, en met ruime cijfers (niet zelden in het pupillenvoetbal), levert dat een knauw op voor de spelvreugde. Sterker nog, want het wordt naast een slechte trainer genoemd als een belangrijke oorzaak om te stoppen met voetballen.